Visie van de KNVB op het (beter) leren
voetballen
Over de visie van de KNVB op het leren voetballen bestaan nog vaak misverstanden.
Om aan alle onduidelijkheid een eind te maken leggen we hier kort en bondig uit wat de visie van de KNVB is.
In het kort gezegd komt het er op neer dat de KNVB kiest voor het credo: voetballen leer je door te voetballen. De technishe staf van de KNVB neemt de kenmerken van het voetbalspel als uitgangspunt.
Voetballen
Voetballen is een spel. Kenmerkend voor een spel is, dat -
keuzes kunnen maken. Er zit een bepaalde vrijheid en daarmeecreativiteit in. Voetballen is een ingewikkeld spel, vooral door het grote aantalspelers dat in het veld staat: 11 tegen 11. Alle 22 spelers nemen beslissingen en de speler die de bal heeft moet reageren op die beslissingen. Daar komt bij datin voetballen de bal vrij is, in tegenstelling tot andere balsporten, zoals basketbal, waar de bal door de spelers vast kan worden gehouden.. Dat betekent dat als de bal in het spel is deze ieder moment kan worden afgepakt..Daardoor levert voetbal steeds wisselende situaties op, er is niet één situatie het zelfde.
Uiteraard geldt wat in dit artikel beschreven is ook voor het voetballen in de zaal
(futsal). Met het verschil dat het daarbij gaat over 5 tegen 5.
Teamfuncties en teamtaken
Wat wordt nu bedoeld met: 'het voetballen is het uitgangspunt'?. Als we kijken naar voetballen, doen we dat altijd op dezelfde manier. Ongeacht waar wordt gevoetbald, het niveau en of sprake is van jongens of meisjes die voetballen. De logische structuur van het voetbalspel blijft hetzelfde. Het gaat in het voetballen altijd om meer doelpunten maken dan de tegenpartij: winnen van de wedstrijd..Om dit voor elkaar te krijgen zal het team moeten aanvallen. Dit betekent automatisch dat de tegenpartij verdedigt.
En omdat balbezit voortdurend wisselt, is er naast het aanvallen en verdedigen ook sprake van omschakelen. Aanvallen, verdedigen en omschakelen noemen we teamfuncties. Teamfuncties kunnen worden onderverdeeld in teamtaken (bij aanvallen zijn dat opbouwen en scoren; bij verdedigen zijn dat storen en doelpunten voorkomen).
Een teamorganisatie en een onderlinge taakverdeling zijn noodzakelijk om de wedstrijd te kunnenwinnen. Binnen de teamorganisatie krijgen de 11 spelers een individuele basistaak. Pas vanuit eenbepaalde teamfunctie en teamtaak krijgen de voetbalhandelingen van spelers betekenis.
Voorbeeld: aanvallen
Bijvoorbeeld: het team heeft de bal en gaat aanvallen. De speler met de bal kan gaan
dribbelen, passen, passeren, schieten enz. De spelers zonder bal zullen vooral de
keuze maken om te gaan vrijlopen. Wie wat doet -
Oefenen in relatie tot de wedstrijd
Het (beter) leren voetballen van (jeugd)spelers gebeurt dicht bij het voetballen
zelf en sluit aan bij de drie teamfuncties in een wedstrijd: aanvallen, verdedigen
en omschakelen. Oefeningen in het passen, dribbelen, passeren, schieten, het maken
van schijnbewegingen, het uitvoeren van een sliding, enz. moeten bij herhaling en
in wisselende spelsituaties -
Daarbij oefenen de spelers bij voorbeeld om op het juiste moment vrij te lopen of een pass te geven met de goede richting en snelheid. Spelers moeten hun handelingen weer afstemmen op andere spelers.
Leerbaarheid vergroten
Met een verwijzing naar het straatvoetbal van vroeger leer je voetballen door te voetballen. De leerbaarheid van het spel wordt vergroot door het voetbal voor jonge spelers te vereenvoudigen en overzichtelijker te maken: 4 tegen 4 en 7 tegen 7 in plaats van 11 tegen 11. Het gevolg is kleinere velden en doelen en het vereenvoudigen van de regels. Hoe jonger de spelers zijn, hoe groter uiteraard de verschillen met het voetbal voor volwassenen. Rekening houdend met de leeftijdskenmerken van de deelnemers en hun specifieke behoefte wordt dit uitgewerkt per leeftijdscategorie (F, E, D, enz.)
Drie fasen
Bij het leren voetballen worden grofweg drie fasen onderscheiden:
1. Mini-
2. D-
3. B-
1. Mini-
Kinderen in de leeftijd van 5 tot 10 jaar zijn naast het doelpunten maken vooral
gericht op het in het bezit houden van de bal, het pingelen, het spelen van de bal
naar een medespeler en schieten op doel. In de trainingen ligt het accent op het
leren omgaan met de bal in basisvormen, waarbij er veel met kleine aantallen wordt
geoefend (bijv. 3 tegen 1, 3 tegen 2, 1 tegen 1, 5 tegen 2 en allerlei variaties
daarvan). Het partijspel dat zich het meest leent om het voetballen te ontwikkelen
is 4 tegen 4 zonder keeper, dat als de kleinste vorm van de echte wedstrijd kan worden
gezien. In verschillende variaties van het 4 tegen 4 kunnen verschillende accenten
worden gelegd, waarin de handelingen van spelers met de bal benadrukt worden (zoals
dribbelen-
Samen doen
Maar uiteraard leren kinderen ook om te verdedigen, want als je de bal niet hebt
probeer je die zo snel mogelijk weer terug te krijgen. En -
Wedstrijden
Bij de mini-
2. D-
Vanaf de D-
en willen samen met hun teamgenoten wedijveren met anderen. Ze ontwikkelen inzicht in het spel 11 tegen 11,
leren omgaan met een groot speelveld, spelregels en het spelen in een opstelling. Dit betekent voor de training dat er meer aandacht komt voor de veldbezetting, spelen met linies en de verschillende taken die er per linie en per positie zijn.
Accenten
Zeker bij de D-
3. B-
In de derde fase wordt toegewerkt naar het spelen van wedstrijden als doel. De afgelopen en de eerstkomende wedstrijd worden belangrijker als uitgangspunt van de training. Spelers moeten leren het rendement van hun taakuitvoering te verbeteren, sneller te handelen en zich te specialiseren in de teamtaken waarin ze het best zijn. Daar hoort ook bij het ondergeschikt maken aan het teambelang en het leren omgaan met spanning en de druk van de wedstrijd.
Voetbalconditie
De trainingen zullen bij B-
De individuele speler
In de visie van de KNVB op jeugdvoetbal ligt de nadruk op de inbreng van de individuele speler binnen het spel. Elf goede voetballers kunnen ook een winnend team vormen, waarin spelers elk hun specifieke taak vervullen, elkaars kwaliteiten aanvullen, elkaars zwakke punten compenseren, doelgericht met elkaar communiceren en zich gezamenlijk instellen op de kwaliteiten van de tegenpartij.
De weg er naar toe wordt voor een belangrijk deel bepaald door de ontwikkeling die jonge spelers fasegewijs doorlopen. Jeugdvoetbal kan zodoende niet een afspiegeling zijn van het volwassen voetbal; een volgende stap in het leerproces wordt ingezet als de ontwikkeling van de spelers dit toelaat. Daarom is de
methodiek van de KNVB kindvriendelijk en vooral kindvolgend te noemen. In de opleiding van jeugdspelers wordt rekening gehouden met leeftijdstypische kenmerken.
Niveau
Een ander gevolg van het centraal stellen van de individuele (jeugd)speler is dat
ieder lid op zijn of haar niveau wedstrijden moet kunnen spelen en moet kunnen deelnemen
aan trainingen. Vandaar ook dat de KNVB het gemengd voetbal toestaat tot en met 19
jaar en dat er in de E-
Andere benaderingen
De KNVB-
Ook deze specialisten pleiten er voor om het voetballen aan te leren door jeugdigen zoveel mogelijke verschillende spelsituaties voor te schotelen die afgestemd zijn op het niveau van de leerlingen.
De volgende eisen worden gesteld aan de voetbalvormen:
ze moeten spelecht zijn(1),
er moet een spelprobleem worden opgelost(2),
de deelnemers moeten de voetbalvorm als spel beleven (3).
Het aanleren van vaardigheden is in hun opvatting geen geïsoleerde aangelegenheid, maar moet plaatsvinden in relatie tot het voetbalspel. (zie Timmers, Meertens & Massink, Didactiek van het bewegingsonderwijs, 2005).
Techniektrainers
Vaak wordt de methoden van techniektrainers, zoals de “Coerver-
Het verschil tussen de deze methoden en de KNVB-
Vereenvoudigen van het spel
De visie van de KNVB start met het voetballen in (vereenvoudigde) spelsituaties (4 tegen 4, 7 tegen 7, etc.). De weerstanden die een speler tegenkomt in de echte wedstrijd zijn ook aanwezig in de vereenvoudigde spelsituaties, maar dan in aangepaste vorm. Bijvoorbeeld door minder (tegen)spelers en meer ruimte is er meer tijd om een bal aan te nemen en door te passen. De tekortkomingen die daarin zijn te zien, krijgen op de training aandacht in aanwijzingen en verdere vereenvoudigingen van het spel. Deze zijn gericht op handelingen met bal (techniek), maar ook handelingen zonder balcontact (dekken, vrijlopen, etc.). De trainer geeft ook aanwijzingen die te maken hebben met spelinzicht (waarnemen) en de onderlinge communicatie (het afstemmen van de handelingen van de spelers op elkaar).
Techniek als middel
Zolang de technische uitvoering geen doel op zich is en de individuele uitvoering een plaats krijgt in spelvormen kunnen verschillende opvattingen elkaar aanvullen. Techniek is dan een middel om uitvoering te geven aan de teamfunctie aanvallen en de teamtaken opbouwen en scoren. De handelingen met bal als dribbelen, passeren, passen en schieten worden dan gezien als middelen om kansen te creëren en kansen te benutten. Als techniek echter wordt gezien als doel in zichzelf geeft dat niet de garantie dat spelers daardoor ook beter gaan voetballen.
Conditie
Voor conditietraining geldt een vergelijkbare redenering. De conditie verbeter je door veel te voetballen, bijvoorbeeld als de voetbalsituatie vereist dat spelers veel sprintjes moeten trekken om vrij te komen of vaak druk moeten zetten om de opbouw van de tegenpartij te verstoren. Het trainen zonder bal levert waarschijnlijk geen enkele directe bijdrage aan het beter aanvallen, verdedigen en omschakelen van een speler.
Plezier
De noodzaak om het voetballeerproces toe te snijden op de ontwikkeling van het kind is ook te vinden in het werk van de sportpedagoog Albert Buisman en in buitenlandse publicaties. Daarin wordt de ontwikkeling van spelers ook gekoppeld aan het plezier beleven. Een voorwaarde voor een goede jeugdopleiding is dat wordt ingespeeld op individuele verschillen tussen kinderen en ruimte wordt geboden om ook zelfstandig te kunnen handelen. Daaraan voorbij gaan kan bij veel spelers het spelplezier en de motivatie om te voetballen ernstig ondermijnen. Het feit dat een trainer er is voor de spelers en niet andersom, kan dan ook niet vaak genoeg worden herhaald.
Tenslotte
In het voorgaande is aangegeven waarop de visie van de KNVB gebaseerd is en wat de consequenties
zijn bij het (beter) leren voetballen van jeugdspelers.
Als (toets)vragen stelt de KNVB in de leerplannen:
-
Kan er worden gescoord, is er sprake van verdedigen en aanvallen etc.?
-
Zijn spelers beter geworden in aanvallen, verdedigen en/of omschakelen?
-
Vinden de spelers het leuk, zijn ze enthousiast en betrokken?
Deze vragen kunnen in veel situaties, zowel bij trainingen als bij wedstrijden, worden
gesteld. En als ze alle drie volmondig met ja kunnen worden beantwoord, is sprake
van een goede leersituatie. Het is aan degenen die verantwoordelijk zijn voor de
jeugdopleiding bij de clubs om de visie in de praktijk te brengen. Dat zou moeten
blijken uit de mate waarin clubs in de jeugdopleiding rekening houden met de ontwikkeling
van kinderen. Wanneer deze gerichtheid ontbreekt, worden trainingen voor jeugdvoetballers
al gauw een kopie van de trainingen voor volwassenen. Het gaat bij het leren voetballen
om op een kindvriendelijke –of jeugdvolgende-
voetballen zo leuk vinden; dat is scoren, aanvallen, verdedigen en omschakelen. Niks meer en …….niks minder.